Internationale spelregels             downloaden


HOOFDSTUK I - INSTALLATIES EN UITRUSTING

REGEL 1 - SPEELRUIMTE
De speelruimte omvat het speelveld en de vrije zone. Zij moet rechthoekig en symmetrisch.

1.1 Afmetingen:
Het speelveld is een rechthoek van 18 x 9 m omringd door een vrije zone van minimum 3 m breed aan alle zijden. De vrije speelruimte is de ruimte boven het speeloppervlak die vrij is van alle hindernissen. De vrije speelruimte moet minimum 7 m hoog zijn boven het speeloppervlak. Voor FIVB- en officile competities moet de vrije zone minimum 5 m bedragen, vanaf de zijlijnen en minimum 8 m vanaf de achterlijn. De vrije speelruimte moet minimum 12,5 m hoog zijn, gemeten vanaf het speeloppervlak.

 
1.2 Speeloppervlak
  • 1.2.1. Algemeen:
    Het oppervlak moet vlak, horizontaal en eenvormig zijn. Het mag geen enkel gevaar voor verwondingen bij de spelers opleveren. Het is verboden te spelen op ruwe of gladde oppervlakken.
    Voor FIVB- en Officile Competities is enkel een houten of een synthetisch oppervlak toegelaten. Alle oppervlakken moeten vooraf door de FIVB gehomologeerd worden.
  • 1.2.2. In zaal:
    Voor wedstrijden in zaal moet het speelveld van een heldere kleur zijn. Voor FIVB- en Officile Competities moeten de lijnen wit gekleurd zijn. Het speelveld en de vrije zone moeten van elkaar verschillen door een andere kleur.
  • 1.2.3. Buiten:
    Voor terreinen in openlucht is een helling van 5 mm per meter toegelaten. Lijnen gemaakt van vaste materialen zijn verboden.
1.3 Lijnen van het speelveld:
  • 1.3.1. Breedte:
    De breedte van de lijnen is 5 cm. De lijnen moeten van een heldere kleur zijn en verschillend van die van de vloer en van de andere lijnen.
  • 1.3.2. Grenslijnen:
    Twee zijlijnen en twee achterlijnen begrenzen het speelveld. Beide zij- en achterlijnen zijn getrokken binnen het speelveld.
  • 1.3.3. Middenlijn:
    De as van de middenlijn verdeelt het speelveld in twee gelijke kampen van 9 x 9 m.; de volledige breedte van de lijn wordt evenwel beschouwd als gelijkwaardig te behoren tot de beide kampen. Zij bevindt zich onder het net tussen de zijlijnen.
  • 1.3.4. Aanvallijn:
    Op ieder kamp is een aanvalslijn getrokken op 3 meter van de as van de middenlijn. Deze duidt de voorzone aan. Voor FIVB- en Officile competities wordt de aanvalslijn verlengd door middel van streepjeslijnen buiten de zijlijnen. Dat bestaan uit 5 korte lijntjes van 15 cm lengte en 5 cm breedte, getrokken op 20 cm van elkaar met een totale lengte van 1,75 m.
 
1.4 Zones en ruimtes:
  • 1.4.1. Voorzone:
    In ieder kamp wordt de voorzone begrensd door de as van de middenlijn en de aanvalslijn, getrokken binnen de zone. Buiten de zijlijnen wordt geacht dat de voorzone doorloopt tot in het einde van de vrije zone.
  • 1.4.2. Opslagzone:
    De opslagzone is een 9 m brede ruimte die zich bevindt achter iedere achterlijn. Zij wordt aan de zijkanten begrensd door twee lijntjes van 15 cm lengte, getrokken op 20 cm van en loodrecht op de achterlijn in het verlengde van beide zijlijnen. Beide lijntjes zijn begrepen in de opslagzone. De opslagzone loopt in de diepte door tot aan het einde van de vrije zone.
  • 1.4.3. Wisselzone:
    De wisselzone wordt begrensd door de verlenging van de aanvalslijnen tot aan de markeerderstafel.
  • 1.4.4. Opwarmingsruimte:
    Voor FIVB- en Officile competities zijn de opwarmingszones, van afmetingen ongeveer 3 x 3 m, gesitueerd aan de hoeken van de speelruimte, aan de kant van de reservebanken en buiten de vrije zone .
  • 1.4.5. Strafruimte:
    De strafzone, ongeveer 1 meter bij 1 meter groot, bevindt zich in de controleruimte achter het verlengde van elke achterlijn. Zij wordt begrensd door een 5 cm brede rode lijn. Er bevinden zich twee stoelen in iedere strafruimte.
 
1.5 Temperatuur:
De minimumtemperatuur mag niet beneden de 10 C (50 F) liggen. Voor FIVB- en Officile competities mag de maximum- temperatuur niet hoger liggen dan 25 C (77 F) en niet lager dan 16 C (61 F).

1.6 Verlichting:
Voor FIVB- en Officile competities moet de verlichting van de speelruimte 1000 tot 1500 lux bedragen, gemeten 1 m boven het speeloppervlak.

REGEL 2 - NET EN PALEN

2.1 Hoogte van het net:
  • 2.1.1. Het net wordt verticaal boven de middenlijn gehangen en de hoogte bedraagt 2,43 meter voor de mannen en 2,24 meter voor de vrouwen.
  • 2.1.2. De hoogte van het net wordt gemeten in het midden van het speelveld. De twee uiteinden van het net (boven de zijlijnen) moeten zich op dezelfde hoogte bevinden en mogen de reglementaire hoogte met niet meer als 2 cm overschrijden.
2.2 Structuur:
Het net is 1 m breed en 9,50 m. tot 10 m. lang (met 25 tot 50 cm. buiten de zijbanden) en gemaakt uit vierkante zwarte mazen met een zijde van 10 cm. Aan de bovenzijde is een witte horizontale linnen band van 7 cm. breed aangebracht, die aan weerszijden van het net is omgeslagen en genaaid over de gehele lengte van het net.
Elk uiteinde van de band heeft een opening, waardoor een koord gaat die de band aan de palen vastmaakt, om de bovenkant van het net gespannen te houden.
Binnenin de band houdt een buigzame kabel het net vastgehecht aan de palen en houdt het bovenste uiteinde van het net strak gespannen.
Aan de onderzijde van het net is een andere horizontale band van 5 cm breed, gelijkaardig aan de bovenste omgeslagen band, waardoor een koord loopt. Deze koord bevestigt het net aan de palen en houdt de onderste rand van het net strak gespannen.

2.3 Zijbanden:
Verticaal boven iedere zijlijn zijn er twee witte banden aan het net vastgemaakt. Zij zijn 5 cm breed en 1 m lang en worden beschouwd als deel uitmakend van het net.

2.4 Antennes:
Een antenne is een buigzame roede, 1,80 m lang en met een diameter van 10 mm, gemaakt uit glasvezel of een gelijkaardig materiaal. Een antenne is vastgemaakt aan de buitenkant van iedere zijband. De antennes worden geplaatst aan weerszijden van het net.
Het bovenste deel van de antenne steekt 80 cm boven het net uit en is gemarkeerd met strepen van contrasterende kleur om de 10 cm, bij voorkeur wit en rood.
De antennes worden beschouwd als een deel van het net en zij begrenzen op de zijkanten de doorgangsruimte.

 
2.5 Palen:
  • 2.5.1. De palen die het net dragen, worden geplaatst op een afstand van 0,50 m tot 1 m van elke zijlijn (fig. 3). Zij moeten een hoogte hebben van 2,55 m en bij voorkeur regelbaar zijn.
    Voor alle FIVB- en Officile competities worden de palen die het net dragen, geplaatst op een afstand van 1 meter van de zijlijnen.
  • 2.5.2. De palen moeten rond en glad zijn en worden zonder spankabels vastgehecht op de grond. Zij mogen geen gevaarlijke of hinderlijke onderdelen hebben.
2.6 Bijkomende uitrusting:
Elke bijkomende uitrusting is vastgelegd door de reglementen van de FIVB.

REGEL 3 - Ballen

3.1 Kenmerken:
De bal moet rond zijn en gemaakt van soepel leder of synthetisch leder, met binnenin een blaas, gemaakt uit rubber of een gelijkaardig materiaal. De kleur van de bal mag licht zijn, of een combinatie van verschillende kleuren.
De goedkeuring tot het gebruiken van namaakleder en kleurencombinaties wordt bepaald door de reglementering van de FIVB.
  • Omtrek : 65 tot 67 cm
  • Gewicht : 260 tot 280 gram
  • Druk : 0.30 tot 0.325 kg/cm (4,26 tot 4,61 psi) (294,3 tot 318,82 mbar of hPa)
3.2 Eenvormigheid van de ballen:
Alle bij een wedstrijd gebruikte ballen moeten dezelfde normen hebben wat betreft omtrek, gewicht, druk, model, kleur, enz.
Voor FIVB- en Officile competities, alsmede nationale competities moet er gespeeld worden met ballen die gehomologeerd zijn door de FIVB, tenzij met toelating van de FIVB.
3.3 Drieballensysteem
Voor FIVB- en Officile competities, moeten er drie ballen gebruikt worden. In dit geval worden er zes ballenrapers geplaatst, n op elke hoek van de vrije zone en n achter elke scheidsrechter.



HOOFDSTUK II - DEELNEMERS

REGEL 4 - PLOEGEN

4.1 Samenstelling van de ploeg
  • 4.1.1. Een ploeg kan uit maximum 12 spelers, een coach, een assistent-coach, een verzorger en een geneesheer samengesteld worden.
    Voor FIVB- en Officile competities moet de geneesheer vooraf geaccrediteerd zijn door de FIVB.
  • 4.1.2 En van de spelers, de libero niet meegeerekend, is de ploegkapitein die aangeduid wordt op het wedstrijdblad.
  • 4.1.3 Alleen de spelers, ingeschreven op het wedstrijdblad, mogen het speelveld betreden en aan de wedstrijd deelnemen. Na ondertekening van het wedstrijdblad, door de ploegkapitein en de coach, mogen de ingeschreven spelers niet meer gewijzigd worden.
4.2 Plaats van de ploeg
  • 4.2.1. De spelers die niet aan het spel deelnemen, moeten op hun reservebank zitten of in hun opwarmingszone blijven. De coach en de andere ploegleden moeten op de reservebank zitten, maar mogen deze tijdelijk verlaten. De reservebanken voor de ploegen bevinden zich naast de markeerderstafel buiten de vrije zone.
  • 4.2.2. Alleen de ploegleden hebben de toelating om op de reservebank te zitten tijdens de wedstrijd en om aan de opwarming deel te nemen.
  • 4.2.3. Spelers die niet aan het spel deelnemen, mogen zich als volgt opwarmen, zonder ballen:
    • 4.2.3.1. Tijdens het spel: in hun opwarmingsruimten;
    • 4.2.3.2. Tijdens de time-outs en technische time-outs: in de vrije zone achter hun kamp.
  • 4.2.4. Tijdens het oponthoud tussen de sets mogen de spelers zich opwarmen met ballen in de vrije zone.
4.3 Uitrusting van de spelers
De uitrusting van de spelers bestaat uit een trui, een korte broek, sokken (het uniform) en sportschoenen.
  • 4.3.1. De kleur en het model van de truien, broeken en sokken moeten eenvormig zijn voor de gehele ploeg (uitgezonderd voor de libero). De uitrusting moet zuiver zijn.
  • 4.3.2. De schoenen moeten licht en plooibaar zijn met rubberen of lederen zolen, zonder hielen. Voor FIVB- en Officile competities is het verboden om schoenen te dragen met zwart afgaande zolen. Truien en broeken moeten voldoen aan de richtlijnen van de FIVB.
  • 4.3.3. De truien van de spelers moeten genummerd zijn van 1 tot 18.
    • 4.3.3.1. De nummers moeten op de truien, midden op de borst en de rug aangebracht worden. De kleur en de helderheid van de nummers moeten contrasteren met de kleur en de helderheid van de truitjes.
    • 4.3.3.2. De nummers moeten een minimum hoogte hebben van 15 cm op de borst en 20 cm op de rug. De band waarmee het nummer gemaakt wordt, moet minimum 2 cm breed zijn. Voor FIVB- en Officile competities, moeten de nummers van de spelers ook aangebracht worden op de rechter broekspijp. Die nummers moeten tussen 4 en 6 cm groot zijn en de dikte van de lijnen moet minstens 1 cm bedragen.
  • 4.3.4. De ploegkapitein moet op zijn trui een band hebben van 8 x 2 cm, die moet worden aangebracht onder het borstnummer.
  • 4.3.5. Het is verboden een uitrusting te dragen zonder officile nummering of van een andere kleur, dan die van de andere spelers (behalve voor de libero).
4.4 Verandering van uitrusting
De eerste scheidsrechter mag aan n of meer spelers toestaan om:
  • 4.4.1. zonder schoeisel te spelen; Voor FIVB- en oficiële competities is heet verboden om zonder schoeisel te spelen.
  • 4.4.2 tussen twee sets of na een spelerswissel de natte of bescahdigde uitrusting te verwisselen, op voorwaarde dat de kleur, het model en de nummers van de nieuwe uitrusting dezelfde zijn.
  • 4.4.3. bij koud weer in trainingspak te spelen, op voorwaarde dat deze kledij van dezelfde kleur en hetzelfde model is voor de hele ploeg, (uitgezonderd voor de libero) en reglementair is genummerd dit in overeenstemming met regel 4.3.3.
4.5 Verboden voorwerpen
  • 4.5.1. Het is verboden voorwerpen te dragen die het risico inhouden verwondingen te veroorzaken of kunstmatig voordeel te bieden aan een speler.
  • 4.5.2. De spelers mogen op eigen risico een bril of lenzen dragen.

REGEL 4 - PLOEGVERANTWOORDELIJKEN
De ploegkapitein en coach zijn beiden verantwoordelijk voor het gedrag en de discipline van hun ploegleden. De libero kan geen ploegkapitein zijn.

5.1 Kapitein
  • 5.1.1. VOOR DE WEDSTRIJD tekent de ploegkapitein het wedstrijdblad en vertegenwoordigt hij zijn ploeg bij de toss.
  • 5.1.2. Als de ploegkapitein zich tijdens de wedstrijd op het terrein bevindt is hij spelkapitein. Wanneer de ploegkapitein zich niet op het terrein bevindt, moet de coach of de ploegkapitein zelf een andere speler aanduiden op het terrein, uitgezonderd de libero die de functie van kapitein op het terrein zal waarnemen. Deze spelkapitein behoudt zijn verantwoordelijkheden, tot hij gewisseld wordt of tot de ploegkapitein zijn plaats opnieuw inneemt, of indien de set eindigt.
    Het is enkel de spelkapitein toegelaten met de scheidsrechters te spreken en dit wanneer de bal uit het spel is:
    • 5.1.2.1. om uitleg te vragen over de toepassing of de interpretatie van de spelregels en om de correct geformuleerde vragen en verzoeken van zijn ploeggenoten voor te leggen. Als de spelkapitein het niet eens is met deze uitleg, moet hij onmiddellijk zijn voorbehoud bekend maken bij de scheidsrechter. Hij behoudt hierbij het recht om aan het einde van de wedstrijd een officieel protest te noteren op het wedstrijdblad.
    • 5.1.2.2. om toelating te vragen:
      a) de uitrusting geheel of gedeeltelijk om te wisselen;
      b) de opstelling van de ploegen na te zien;
      c) het speeloppervlak, het net, de ballen, enz. te controleren.
    • 5.1.2.3. om time-outs en spelerswissels te vragen.
  • 5.1.3. Aan het einde van DE WEDSTRIJD zal de ploegkapitein:
    • 5.1.3.1. de scheidsrechters bedanken en het wedstrijdblad ondertekenen om het resultaat te bekrachtigen;
    • 5.1.3.2. het voorbehoud, indien dit ter zijner tijd kenbaar werd gemaakt, bij de eerste scheidsrechter, mogen bevestigen en laten noteren op het wedstrijdblad als een officieel protest tegen de toepassing of interpretatie van de regels door de scheidsrechters.
5.2 Coach
  • 5.2.1. Gedurende de hele wedstrijd leidt de coach het spel van zijn ploeg van buiten het speelveld. Hij selecteert de basisspelers, hun wisselspelers en vraagt time-outs aan. In deze functies is de tweede scheidsrechter zijn officile contactpersoon.
  • 5.2.2. VOOR DE WEDSTRIJD schrijft of controleert de coach de namen en de nummers van zijn spelers die op het wedstrijdblad vermeld staan en ondertekent het vervolgens.
  • Tijdens de wedstrijd:
    • 5.2.3.1. vr iedere set geeft de coach aan de tweede scheidsrechter of aan de markeerder het (de) volledig ingevuld(e) en ondertekend(e) opstellingsbriefje(s).
    • 5.2.3.2. moet hij op de reservebank zitten, zo dicht mogelijk bij de markeerder. Hij mag de reservebank verlaten;
    • 5.2.3.3. vraagt de coach de spelerswissels en time-outs aan;
    • 5.2.3.4. zowel de coach als alle andere ploegleden mogen instructies geven aan de spelers op het speelveld. De coach mag deze richtlijnen geven terwijl hij rechtstaant of beweegt binnen de vrije zone gelegen voor de reservebank van zijn ploeg vanaf het verlengde van de aanvalslijn tot aan zijn opwarmingsruimt, zonder hierbij het spel te storen of te vertragen.
5.3 De assistent-coach
  • 5.3.1. De assistent-coach zit op de reservebank, zonder recht van tussenkomst in de wedstrijd.
  • 55.3.2. Ingeval de coach zijn ploeg moet verlaten, mag de assistent-coach de functies van de coach waarnemen op verzoek van de spelkapitein en mits toelating van de eerste scheidsrechter.



HOOFDSTUK III - SPELFORMULE

REGEL 6 - OM EEN PUNT TE SCOREN, EEN SET EN EEN WEDSTRIJD TE WINNEN

6.1 Om een punt te scoren
  • 6.1.1. Een ploeg scoort een punt:
    • 6.1.1.1. door de bal succesvol op de speelvloer van de tegenstander te slaan.
    • 6.1.1.2. wanneer de tegenstander een fout begaat.
    • 6.1.1.3. wanneer de tegenstander een bestraffing krijgt.
  • 6.1.2. Fout:
    Een ploeg begaat een fout door het uitvoeren van een spelactie tegen de regels (of door deze op een andere manier te schaden). De scheidsrechter beoordeelt de fouten en bepaalt de gevolgen ervan overeenkomstig de spelregels:
    • 6.1.2.1. Indien twee of meer fouten opeenvolgend worden begaan, wordt enkel de eerste fout gesanctioneerd.
    • 6.1.2.2. Indien twee of meer fouten gelijktijdig worden begaan door de tegenstanders; dan wordt een dubbele fout genoteerd en moet de rally hernomen worden.
  • 6.1.3. Gevolgen bij het winnen van een rally.
    Een rally is een opeenvolging van spelacties, vanaf het ogenblik van de opslag door de opslaggever, tot op het ogenblik dat de bal uit het spel is.
    • 6.1.3.1. Indien de opslaggevende ploeg een rally wint, dan scoort zij een punt en gaat verder met serveren.
    • 6.1.3.2. Indien de ontvangende ploeg een rally wint, dan scoort zij een punt, en moet nadien serveren.
6.2 Om een set te winnen:
Een set (uitgezonderd de beslissende set - 5 set) wordt gewonnen door de ploeg die het eerst 25 punten behaalt met een minimum verschil van twee punten. In geval van gelijke 24-24 puntenstand gaat het spel verder, tot het verschil van twee punten wordt bereikt (26-24, 27-25).
6.3 Om een wedstrijd te winnen:
  • 6.3.1. De wedstrijd wordt gewonnen door de ploeg die het eerst drie sets wint.
  • 6.3.2. In geval van een gelijke 2-2 setstand, wordt de beslissende set (5e) gespeeld naar 15 punten met een minimumverschil van 2 punten.
6.4 Forfait door onvolledige ploeg
  • 6.4.1. Indien een ploeg weigert te spelen, na hiertoe een aanmaning te hebben gekregen, wordt ze forfait verklaard en verliest de wedstrijd met als resultaat 0-3 voor de wedstrijd en 0-25 voor elke set.
  • 6.4.2. Een ploeg die, zonder geldige reden, zich niet op het terrein bevindt op het voorziene uur, wordt forfait verklaard met hetzelfde resultaat als vermeld onder 6.4.1.
  • 6.4.3. Een voor een set of een wedstrijd ONVOLLDEDIG verklaarde ploeg verliest de set of de wedstrijd. Aan de tegenstander worden de ontbrekende punten of de ontbrekende sets, nodig om de wedstrijd te winnen toegekend. De onvolledige ploeg behoudt de verworven punten en set.


REGEL 7 - STRUCTUUR VAN HET SPEL

7.1 Toss
Voor de wedstrijd voert de eerste scheidsrechter de toss uit om te beslissen over de eerste opslag en de keuze van kamp voor de eerste set.
Indien een beslissende set moet gespeeld worden, wordt een nieuwe toss uitgevoerd.
  • 7.1.1. De toss wordt uitgevoerd in aanwezigheid van de twee ploegkapiteins.
  • 7.1.2. De winnaar van de toss kiest:
    • 7.1.2.1. OF het recht tot opslaan of om de opslag op te vangen.
    • 7.1.2.2. OF het kamp.
    • De verliezer krijgt het resterende alternatief.
  • 7.1.3. In het geval van opeenvolgend opwarmen, beschikt de ploeg die de eerste opslag zal geven, als eerste over het net.
7.2 Opwarmingsprocedure
  • 7.2.1. Voor de wedstrijd mogen de ploegen zich aan het net opwarmen; elke ploeg gedurende 3 minuten, zo zij vooraf over een terrein beschikten en gedurende 5 minuten, zo zij deze mogelijkheid niet hebben gehad.
  • 7.2.2. Indien de twee kapiteins aanvaarden om samen op te warmen, kunnen de ploegen gedurende 6 of 10 minuten over het net beschikken, overeenkomstig regel 7.2.1.
7.3 Beginopstelling van de ploeg
  • 7.3.1. Er moeten altijd zes spelers per ploeg in het spel zijn. De beginopstelling van de ploeg geeft de rotatievolgorde aan van de spelers. op het terrein. Deze volgorde moet gedurende de hele set worden aangehouden.
  • 7.3.2. Voor aanvang van iedere set moet de coach de beginopstelling van zijn/haar ploeg overhandigen aan de tweede scheidsrechter of aan de markeerder. Dit doet hij bij middel van een zorgvuldig en gehandtekend opstellingsbriefje (zie ook regel.
  • 7.3.3. De spelers die niet vermeld zijn op het opstellingsbriefje van een set, zijn de wisselspelers voor die set. Uitgezonderd de libero.
  • 7.3.4. Zodra het opstellingsbriefje is overhandigd aan de tweede scheidsrechter of de markeerder, mag er geen enkele opstellingswijziging meer toegelaten worden, tenzij met een normale spelerswissel. markeerder, mag er geen enkele opstellingswijziging meer toegelaten worden, tenzij met een normale spelerswissel.
  • 7.3.5. Tegenstrijdigheden tussen de opstelling van de spelers op het terrein en het opstellingsbriefje.
    • 7.3.5.1. Indien dergelijk verschil wordt vastgesteld tussen het opstellingsbriefje en de opstelling van de spelers op het veld vr aanvang van de set, moeten de spelers de plaatsen innemen in overeenstemming met het opstellingsbriefje. Dit gebeurt zonder bestraffing.
    • 7.3.5.2. Indien n of meer spelers op het veld niet op het opstellingsbriefje staan ingeschreven, moeten de spelers op het veld gewisseld worden, vr aanvang van de set, in overeenstemming met het opstellingsbriefje. Dit gebeurt zonder bestraffing.
    • 7.3.5.3. Indien echter de coach deze niet ingeschreven speler(s) op het veld wenst te behouden, zal hij (een) reglementaire vervanging(en) moeten aanvragen, die op het wedstrijdblad zal (zullen) ingeschreven worden.
7.4 Opstelling
Op het ogenblik dat de bal door de opslaggever wordt opgeslagen, moet iedere ploeg zich in haar eigen kamp bevinden (uitgezonderd de opslaggever), dit in de juiste rotatievolgorde.
  • 7.4.1. De posities van de spelers worden als volgt genummerd:
    • 7.4.1.1. De drie langs het net geplaatste spelers zijn de voorspelers en zij bezetten respectievelijk de posities 4 (speler links), 3 (speler midden) en 2 (speler rechts).
    • 7.4.1.2. De drie andere spelers zijn de achterspelers en zij bezetten de posities 5 (speler links), 6 (speler midden) en 1 (speler rechts).
  • 7.4.2. Opstelling van de spelers onderling
    • 7.4.2.1 Elke achterspeler moet verder van het net geplaatst zijn dan zijn respectievelijke voorspeler.
    • 7.4.2.2. De voor- en achterspelers moeten zich respectievelijk lateraal opstellen in overeenstemming met regel 7.4.1.
  • 7.4.3. De opstelling van de spelers wordt bepaald en gecontroleerd overeenkomstig de stand van de voeten, in contact met de vloer en wel als volgt:
    • 7.4.3.1. Elke voorspeler moet tenminste een deel van zijn voet dichter bij de middenlijn hebben dan de voeten van zijn respectievelijke achterspeler;
    • 7.4.3.2. elke speler van de rechter- (linker-) zijde moet tenminste een deel van zijn voet dichter bij de rechter- (linker-) zijde hebben van deze van de middenspeler van deze lijn.
  • 7.4.4. Nadat de bal is opgeslagen, mogen de spelers zich verplaatsen en gelijk welke positie in hun eigen kamp of in de vrije zone innemen.
7.5 Opstellingsfouten
  • 7.5.1. Een ploeg begaat een opstellingsfout als n van de spelers niet de juiste opstelling inneemt op het ogenblik dat de bal door de opslaggever wordt geslagen.
  • 7.5.2. Indien de opslaggever een opslagfout maakt op het ogenblik dat hij de bal slaat, zal zijn fout worden beschouwd als de eerste in verhouding met een opstellingsfout.
  • 7.5.3. Indien, na het slaan van de bal, de opslag foutief wordt, is het de opstellingsfout die zal bestraft worden.
  • 77.5.4. Een opstellingsfout heeft de volgende gevolgen:
    • 7.5.4.1. de ploeg wordt bestraft met verlies van de spelfase;
    • 7.5.4.2. de opstelling van de spelers wordt verbeterd.
7.6 Rotatie
  • 7.6.1. De rotatievolgorde wordt bepaald door de beginopstelling van de ploeg en gecontroleerd met de opslagvolgorde en de positie van de spelers gedurende de hele set.
  • 7.6.2. Wanneer de ontvangende ploeg het recht tot opslag wint, voeren haar spelers een rotatie uit, door zich n positie te verplaatsen volgens de richting van de wijzers van een klok: speler van positie 2 gaat naar positie 1, speler 1 gaat naar 6, enz.
7.7

Rotatiefout
  • 7.7.1. Een rotatiefout wordt begaan, wanneer de opslag niet is uitgevoerd in de juiste rotatievolgorde. De fout heeft de volgende gevolgen:
    • 7.7.1.1. de ploeg wordt bestraft met verlies van de spelfase;
    • 7.7.1.2. de rotatievolgorde van de spelers wordt verbeterd.
  • 7.7.2. Bovendien moet de markeerder het juiste ogenblik bepalen waarop de fout werd begaan en alle door de foutieve ploeg aangetekende punten, vanaf het ogenblik van de vergissing, worden vernietigd. De door de tegenstander aangetekende punten blijven behouden. Indien het ogenblik van de fout niet kan achterhaald worden, is verlies van de spelfase de enige sanctie.


REGEL 8 - SPELERSWISSELS

Een spelerswissel is een actie waarbij een speler, na ingeschreven te zijn door de markeerder, in het spel komt om die plaats in te nemen van een andere speler dewelke het speelveld moet verlaten (uitgezonderd de libero). Voor een spelerswissel is de toelating van de scheidsrechter vereist (voor de wisselprocedure, zie regel 16.5.)

8.1 Beperkingen aan spelerswissels
  • 8.1.1. Maximum zes spelerswissels zijn toegelaten per ploeg en per set. Een of meer spelers mogen tegelijkertijd vervangen worden.
  • 8.1.2. Een speler van de beginopstelling mag het spel verlaten en terugkomen, maar slechts eenmaal per set en alleen op zijn oorspronkelijke plaats in de opstelling.
  • 8.1.3. Een wisselspeler kan maar eenmaal per set aan het spel deelnemen in de plaats van een speler van de beginopstelling. Hij kan alleen maar gewisseld worden door de speler die hij verving.
8.2 Uitzonderlijke spelerswissel
Een gekwetste speler (uitgezonderd de libero) die niet kan verder spelen, zal reglementair gewisseld moeten worden. Indien dit onmogelijk is, heeft de ploeg het recht om van een UITZONDERLIJKE spelerswissel te genieten, buiten de beperkingen van regel 8.1.
Een uitzonderlijke wissel betekent dat gelijk welke speler die niet op het terrein staat op het ogenblik van de kwetsuur (uitgezonderd de libero of zijn/haar vervanger), de gekwetste speler mag vervangen. De vervangen of gekwetste speler mag niet meer aantreden in de wedstrijd.

8.3 Spelerswissel ten gevolge van uitwijzing of uitsluiting
Een UITGEWEZEN of UITGESLOTEN speler moet reglementair gewisseld worden. In het geval dit niet mogelijk is, wordt de ploeg ONVOLLEDIG verklaard.

8.4 Onregelmatige spelerswissel
  • 8.4.1. Een spelerswissel is onregelmatig, als deze de beperkingen, voorzien in regel 8.1. overschrijdt (behalve regel 8.2.).
  • 8.4.2. Wanneer een ploeg een onregelmatige spelerswissel heeft uitgevoerd en het spel hernomen werd, is de procedure als volgt:
    • 8.4.2.1. de ploeg wordt bestraft met verlies van de spelfase;
    • 8.4.2.2. de wissel wordt verbeterd;
    • 8.4.2.3. de punten, aangetekend door de foutieve ploeg vanaf het ogenblik dat de fout werd begaan, worden vernietigd; de punten, aangetekend door de tegenstander, blijven behouden.



HOOFDSTUK III - SPELACTIES

REGEL 9 - SPELSITUATIES

9.1

Bal in het spel
De bal is in het spel, vanaf het ogenblik dat de opslag geslagen wordt, na toelating d.m.v. een fluitsignaal door de eerste scheidsrechter.
9.2
Bal uit het spel
De bal is uit het spel, vanaf het ogenblik dat n van de scheidsrechters een fout fluit. Indien er geen fout begaan wordt, is de bal uit het spel, vanaf het ogenblik van het fluitsignaal.
9.3
Bal "in"
De bal is "BINNEN", wanneer hij de vloer van het speelveld raakt, de grenslijnen inbegrepen.
9.4
Bal "out"
De bal is "BUITEN", wanneer:
  • 9.4.1. het deel van de bal dat de grond raakt, zich volledig buiten de zijlijnen bevindt;
  • 9.4.2. hij een voorwerp buiten het veld, het plafond of een persoon buiten het spel raakt;
  • 9.4.3. hij de antennes, kabels, palen of het net zelf, buiten de zijbanden raakt;
  • 9.4.4. hij het verticaal vlak van het net overschrijdt, helemaal of gedeeltelijk buiten de doorgangsruimte, behalve in regel 11.1.2.
  • 9.4.5. hij volledig onder het net doorgaat.

REGEL 10 - HET SPELEN VAN DE BAL

Elke ploeg moet in haar eigen speelruimte spelen (uitgezonderd regel 11.1.2.). De bal mag echter teruggespeeld worden van buiten de vrije zone.


10.1.
Balaanrakingen
Elke ploeg heeft het recht op maximum drie aanrakingen, ook na het blok (regel 15.4.1.), om de bal over het net terug te spelen. Als er meer dan drie balaanrakingen gebeuren, begaat de ploeg de fout "VIER AANRAKINGEN".
De balaanrakingen omvatten niet alleen de intentionele aanrakingen door de spelers, maar ook de toevallige aanrakingen met de bal.

  • 10.1.1. Opeenvolgende aanrakingen: Het is een speler niet toegelaten twee maal na elkaar de bal aan te raken. (uitgezonderd regels 10.2.3., 15.2. en 15.4.2)
  • 10.1.2. Gelijktijdige aanrakingen: Twee of drie spelers mogen de bal gelijktijdig aanraken.
    • 10.1.2.1. Wanneer twee (drie) ploegmaats de bal gelijktijdig aanraken, worden er twee (drie) toetsen aangerekend (uitgezonderd bij het blok).
      Indien de bal slechts door n speler wordt aangeraakt, wanneer twee (drie) ploeggenoten de bal trachten te spelen, wordt er maar n toets aangerekend. Een botsing tussen twee spelers is geen fout.
    • 10.1.2.2. Wanneer gelijktijdige balaanrakingen tussen tegenstanders boven het net gebeuren en de bal in het spel blijft, heeft de ontvangende ploeg recht op drie nieuwe baltoetsen.
      Indien de bal "buiten" het veld valt, begaat de ploeg aan de andere zijde van het net de fout.
    • 10.1.2.3. Indien gelijktijdig spelen tussen tegenstanders een "GEHOUDEN BAL" met zich brengt, wordt een "DUBBELE FOUT" aangerekend en de spelfase wordt hernomen.
  • 10.1.3. Balaanraking met hulp.
    In de speelruimte is het aan een speler niet toegestaan te steunen op een ploegmaat of op eender welke structuur/voorwerp dan ook, teneinde de bal te bereiken.
    Daarentegen mag een speler die op het punt staat een fout te begaan (net aanraken, middenlijn overschrijden, enz.), door een ploegmaat worden gestopt of tegengehouden.
10.2
Kenmerken van de balaanraking
  • 10.2.1. De bal mag om het even welk deel van het lichaam aanraken.
  • 10.2.2. De balaanraking moet kort gebeuren. De bal mag noch opgevangen, noch gegooid worden. Hij mag terugbotsen in gelijk welke richting.
  • 10.2.3. De bal mag verschillende delen van het lichaam aanraken, op voorwaarde dat deze contacten gelijktijdig plaatsvinden.
    Uitzonderingen :
    • 10.2.3.1. bij het blokkeren mogen achtereenvolgende contacten door n of meer blokkeerders gebeuren, op voorwaarde dat deze contacten tijdens dezelfde actie plaatsvinden.
    • 10.2.3.2. bij de eerste balaanraking van de ploeg mag de bal achtereenvolgens verschillende lichaamsdelen aanraken, op voorwaarde dat die contacten tijdens dezelfde actie gebeuren.

10.3.

Fouten bij het spelen van de bal
  • 10.3.1. VIER AANRAKINGEN: een ploeg raakt de bal vier maal, vooraleer hem terug over het net te spelen.






  • 10.3.2. AANRAKING MET HULP: een speler steunt op een ploegmaat of steunt op een structuur/voorwerp binnen de speelruimte, om de bal te bereiken.

  • 10.3.3. GEHOUDEN BAL: de balaanraking gebeurt niet kort en de bal wordt opgevangen en/of gegooid.




  • 10.3.4. DUBBELE TOETS: een speler raakt twee maal achtereen de bal of de bal raakt achtereenvolgens verschillende delen van zijn lichaam.

REGEL 11 - Bal bij het net

Elke ploeg moet in haar eigen speelruimte spelen (uitgezonderd regel 11.1.2.). De bal mag echter teruggespeeld worden van buiten de vrije zone.

11.1 De bal gaat over het net.
  • 11.1.1. De bal die teruggespeeld wordt naar het kamp van de tegenstander, moet het net in de doorgangsruimte overschrijden. De doorgangsruimte is het gedeelte van het verticale vlak van het net, begrensd:
    • 11.1.1.1. onderaan, door de bovenrand van het net.
    • 11.1.1.2. aan de zijkanten, door de antennes en hun ingebeelde verlenging.
    • 11.1.1.3. bovenaan, door het plafond.




    11.1.2. Een bal in de richting van de vrije zone van de tegenstander, die het verticaal vlak van het net geheel of gedeeltelijk buiten de speelzone heeft overschreden, mag worden teruggespeeld binnen het kader van de reglementaire aanrakingen, op voorwaarde dat:
    • 11.1.2.1. Het speelveld van de tegenstander niet wordt aangeraakt door de speler;
    • 11.1.2.2. de teruggespeelde bal het verticaal vlak van het net, volledig of gedeeltelijk opnieuw overschrijdt langs de buitenruimte en langs dezelfde kant van het speelveld.
      De tegenstander mag deze actie niet verhinderen.
11.2 De bal raakt het net.
De bal mag bij het overschrijden van het net, het net aanraken.
11.3 Bal in het net.
  • 11.3.1. Een in het net gespeelde bal mag terug worden hernomen, binnen de limieten van de drie aanrakingen per ploeg.
  • 11.3.2. Indien de bal de mazen van het net scheurt of het net naar beneden valt, wordt de spelfase geannuleerd en opnieuw gespeeld.

REGEL 12 - Speler aan het net

12.1 Overschrijding van het net.
  • 12.1.1. Tijdens het blokkeren is het toegelaten de bal aan de andere zijde van het net aan te raken, op voorwaarde dat de speler het spel van de tegenstander niet verhindert, vr of tijdens zijn aanvalsactie.
  • 12.1.2. Na een aanvalsactie mag een speler met de hand het net overschrijden, op voorwaarde dat de aanraking van de bal in zijn eigen speelruimte gebeurde.
12.2 Indringen onder het net.
  • 12.2.1. Het is toegelaten om onder het net in de ruimte van de tegenstander in te dringen, op voorwaarde dat het spel van de tegenstander niet gehinderd wordt.
  • 12.2.2. Indringen in het kamp van de tegenstander over de middenlijn.
    • 12.2.2.1. Het is toegelaten het kamp van de tegenstander met de voet(en) of de hand(en) aan te raken, op voorwaarde dat minstens een gedeelte van de voet(en) of de hand(en) in contact blijft met de middenlijn of zich boven de middenlijn bevindt.
    • 12.2.2.2. Het is verboden om met elk ander lichaamsdeel het kamp van de tegenstander te raken.
  • 12.2.3. Een speler mag in het kamp van de tegenstander indringen, nadat de bal uit het spel is.
  • 12.2.4. Een speler mag in de vrije zone van het kamp van de tegenstander indringen, op voorwaarde dat het spel van de tegenstander niet gehinderd wordt.
12.3 Contact met het net.
  • 12.3.1. De aanraking van het net is geen fout, tenzij als een speler, het net raakt tijdens zijn/haar actie om de bal te spelen of het spel benvloedt. Sommige acties bij het spelen van de bal behelzen acties waarbij de spelers toevallig de bal niet raken.
  • 12.3.2. Na de bal te hebben gespeeld, mag de speler de palen, de spandraad of andere voorwerpen raken, het net over zijn hele lengte uitgezonderd, op voorwaarde dat deze actie het spel niet benvloedt.
  • 12.3.3. Er is geen fout, indien de in het net gespeelde bal een contact van het net met een tegenstander veroorzaakt.
12.4 Fouten van spelers aan het net.
  • 12.4.1. Een speler raakt de bal of een tegenstander in de ruimte van de tegenstander, voor of tijdens de aanvalsactie van de tegenstander.
  • 12.4.2. Een speler dringt onder het net in de ruimte van de tegenstander en hindert het spel van de tegenstander.
  • 12.4.3. Een speler dringt in het kamp van de tegenstander binnen.
  • 12.4.4. Een speler raakt het net of de antenne gedurende zijn/haar actie om de bal te spelen of indien bij dit contact het spel wordt benvloed.

REGEL 13 - Opslag
De opslag is het in het spel brengen van de bal door de rechterachterspeler die zich in de opslagzone bevindt.


13.1 Eerste opslag van de set
  • 13.1.1. De eerste opslag van de eerste en de beslissende (5e) set wordt uitgevoerd door de ploeg, aangewezen door de toss.
  • 13.1.2. De andere sets worden begonnen met de opslag door de ploeg die niet als eerste in de vorige set opsloeg.
13.2 Opslagvolgorde.
  • 13.2.1. De spelers moeten de opslagvolgorde, aangeduid op het opstellingsbriefje, volgen.
  • 13.2.2. Na de eerste opslag van een set, worden de opslaggevers als volgt aangewezen:
    • 13.2.2.1. indien de ploeg aan de opslag de spelfase wint, geeft de speler die de vorige opslag gaf (of zijn vervanger), opnieuw de opslag.
    • 13.2.2.2. indien de ploeg die de opslag ontvangt de spelfase wint, krijgt zij het recht tot opslag en voert een rotatie uit, alvorens op te slaan. De opslag zal gegeven worden door de speler die van de positie rechtsvoor naar rechtsachter doordraait.
13.3 Toelating to opslag
De eerste scheidsrechter geeft de toelating tot het uitvoeren van de opslag, nadat hij er zich van vergewist heeft, dat de opslaggever in het bezit is van de bal en de ploegen klaar zijn, om te spelen.

13.4 Uitvoering van de opslag.
  • 13.4.1. De bal zal geslagen worden met n hand of met om het even welk deel van de arm, nadat hij omhoog geworpen of losgelaten werd uit de hand(en).
  • 13.4.2. En enkele opslag is toegelaten. Dribbelen met de bal of de bal bewegen in de handen is toegelaten.
  • 13.4.3. Op het ogenblik van de opslag of van de afstoot, in geval van gesprongen opslag, mag de opslaggever noch het speelveld (achterlijn inbegrepen), noch de vloer buiten de opslagzone raken.
    Na de opslag, mag hij buiten de opslagzone of binnen het speelveld neerkomen.
  • 13.4.4. De opslaggever moet de bal slaan binnen de acht seconden na het fluitsignaal van de eerste scheidsrechter.
  • 13.4.5. Een opslag uitgevoerd vr het fluitsignaal van de scheidsrechter, moet geannuleerd en hernomen worden.
13.5 Scherm.
  • 13.5.1. De spelers van de ploeg aan de opslag mogen, door een individueel of collectief scherm, de tegenstanders niet beletten de opslaggever te zien, evenmin het traject van de bal.
  • 13.5.2. Een speler (spelers) van de opslaggevende ploeg maakt (maken) een scherm, als hij (zij) met de armen zwaait (zwaaien), springt (springen) of zich zijdelings beweegt (bewegen), enz. op het ogenblik dat de opslag wordt uitgevoerd en de bal over hem heen gaat.
13.6 Opslagfouten.
  • 13.6.1.Opslagfouten:
    De volgende fouten hebben een opslagwissel tot gevolg, zelfs indien de tegenstander een opstellingsfout begaat. De opslaggever:
    • 13.6.1.1. Overtreedt de opslagvolgorde.
    • 13.6.1.2. Voert zijn opslag niet correct uit. (bvb 8 dec-regel)











  • 13.6.2. Opslagfouten na het slaan van de bal:
    Na correct opgeslagen te zijn, wordt de opslag foutief (tenzij een speler een opstellingsfout begaat) wanneer de bal;
    • 13.6.2.1. een speler van de opslaggevende ploeg raakt of het verticaal vlak van het net via de doorgangsruimte niet volledig overschrijdt;
    • 13.6.2.2."buiten" valt;
    • 13.6.2.3. over een scherm heen gaat.
13.7 Fouten gemaakt na de opslag en opstellingsfouten.
  • 13.7.1. Wanneer de speler aan de opslag een fout maakt (verkeerde uitvoering van de opslag, verkeerde opslagvolgorde, enz.) en de tegenstander staat in een verkeerde opstelling, dan wordt de fout van de opslaggever bestraft.
  • 13.7.2. Daarentegen, wanneer de opslag correct werd uitgevoerd, maar nadien toch foutief wordt beoordeeld (bal out, schermvorming, enz.), dan wordt de fout van de ploeg die een verkeerde opstelling innam, bestraft.


REGEL 14 - Aanvalsslag

14.1 Aanvalsslag.
  • 14.1.1. Elke actie die de bal bij de tegenstander doet terechtkomen, met uitzondering van de opslag en het blok, wordt als een aanvalsactie aangezien.
  • 12.1.2. 14.1.2. Tijdens een aanvalsslag is een plaatsbal toegestaan, enkel indien de balaanraking zuiver is en de bal niet begeleid noch gedragen wordt met de hand.
  • 14.1.3. Een aanvalsslag is effectief, wanneer de bal het verticaal vlak van het net helemaal overschrijdt of door een tegenstander is geraakt.
14.2 Beperkingen aan de aanvalsactie.
  • 114.2.1. Een voorspeler mag een aanvalsactie op gelijk welke hoogte afronden, op voorwaarde dat het contact met de bal in zijn eigen speelruimte plaats heeft (met uitzondering van regel 14.2.4.)
  • 14.2.2. Een achterspeler mag een aanval afronden op gelijk welke hoogte achter de voorzone:
    • 14.2.2.1. bij de afstoot mag (mogen) zijn voet(en) de aanvalslijn niet aanraken of overschrijden.
    • 14.2.2.2. na de aanval mag hij in de voorzone terechtkomen.
  • 14.2.3. Een achterspeler mag ook een aanval afronden in de voorzone als, op het ogenblik van het contact, de bal zich gedeeltelijk onder de bovenste rand van het net bevindt.
  • 14.2.4. Geen enkele speler mag een aanvalsslag afronden op de opslag van de tegenstander, wanneer de bal zich in de voorzone en volledig boven de bovenste rand van het net bevindt.
14.3 Fouten bij de aanvalsactie.
  • 14.3.1. Een speler speelt de bal, wanneer de bal zich in de speelruimte van de tegenstrever bevindt.
  • 14.3.2. Een speler slaat de bal "buiten"





  • 14.3.3 Een achterspeler rondt een aanval af in de voorzone, wanneer de bal zich volledig boven de bovenste rand van het net bevindt, op het ogenblik van de slag
  • 14.3.4. Een speler rondt een aanvalsactie af op de opslag van de tegenstander, wanneer de bal zich in de voorzone en volledig boven de bovenste rand van het net bevindt.
  • 14.3.5. Een liberospeler voert een aanvalsslag uit, wanneer de bal zich volledig hoger dan de top van het net bevindt.
  • 14.3.6. Een speler een aanval uitvoert, hoger dan de bovenste netrand, wanneer de bal komt via een bovenhandse vingerpas van de libero in de voorzone.


REGEL 15 - Het blok

15.1 Blokkeren.
  • 15.1.1. Blokkeren is een actie van spelers, dichtbij het net, om een bal, komende van het kamp van de tegenstander, te onderscheppen door hoger te reiken dan het net. Enkel voorspelers mogen een blokactie uitvoeren.
  • 15.1.2. Blokpoging: Een blokpoging is een actie om te blokkeren, zonder de bal aan te raken.
  • 15.1.3. Effectief blok: Een blok is effectief, iedere keer als de bal door een blokkeerder is aangeraakt.
  • 15.1.4. Collectief blok: een blok is collectief, wanneer het wordt uitgevoerd door een groep van twee of drie dicht bij elkaar staande spelers en het wordt effectief wanneer n van hen de bal aanraakt.
15.2 Het blokcontact.
Opeenvolgende (snelle en doorlopende) contacten mogen uitgevoerd worden door n of meer blokkeerders, op voorwaarde dat deze contacten gemaakt worden tijdens dezelfde actie.

15.3 Blok in de ruimte van de tegenstander.
Tijdens het blokkeren mag een speler zijn handen en zijn armen over het net heen reiken, op voorwaarde dat deze actie het spel van de tegenstander niet hindert. Het is dus niet toegelaten de bal over het net aan te raken, tot op het ogenblik dat de tegenstander zijn aanvalsactie heeft uitgevoerd.

15.4 Blok en blokaanrakingen door een ploeg.
  • 15.4.1. Het contact van de bal door een blok wordt niet geteld als een aanraking door een ploeg. Bijgevolg heeft een ploeg, na het blokcontact, nog recht op drie aanrakingen om de bal opnieuw naar de tegenstander te spelen.
  • 15.4.2. De eerste aanraking na het blok mag door gelijk welke speler uitgevoerd worden, zelfs door de speler die de bal geraakt heeft tijdens het blok.
15.5 Het blokkeren van de opslag.
Het is verboden de opslag van de tegenstander te blokkeren.

15.6 Fouten van het blok.
  • 15.6.1. Een blokkeerder raakt de bal aan in de ruimte van de tegenstander, vr of tijdens de aanvalsactie van de tegenstander.
  • 15.6.2. Een achterspeler voert een effectief blok uit of neemt deel aan een effectief blok.
  • 15.6.3. Het blokkeren van de opslag van de tegenstander.
  • 15.6.4. De bal gaat na het blokkeren "buiten".
  • 15.6.5. Het blokkeren van de bal in de ruimte van de tegenstander buiten de antennes.
  • 15.6.6. Een libero vervolledigt een individueel of collectief blok.


HOOFDSTUK V - ONDERBREKINGEN EN VERTRAGINGEN

REGEL 16 - REGLEMENTAIRE ONDERBREKINGEN
De reglementaire spelonderbrekingen zijn de TIME-OUTS en het WISSELEN VAN SPELERS.

16.1 Aantal reglementaire onderbrekingen:
Per set heeft elke ploeg recht op twee time-outs en zes spelerswissels.

16.2 Aanvraag tot reglementaire onderbrekingen:
  • 16.2.1. De onderbrekingen mogen alleen worden aangevraagd door de coach of de kapitein op het terrein. De aanvraag wordt gedaan met het overeenkomstig officieel teken, wanneer de bal niet in het spel is en vr het fluitsignaal voor opslag.
  • 16.2.2. Een aanvraag voor spelerswissel, vr aanvang van de set, is toegelaten en moet genoteerd worden als een normale wissel in deze set.
16.3 Opeenvolging van onderbrekingen:
  • 16.3.1. Vooraleer het spel hervat wordt, kunnen tegelijkertijd n of twee time-outs en een aanvraag voor spelerswissel(s) elkaar opvolgen, dit voor de beide ploegen.
  • 16.3.2. Het is evenwel aan een ploeg niet toegelaten achtereenvolgende onderbrekingen te vragen voor spelerswissels, zonder dat het spel hernomen is. Nochtans mogen tijdens dezelfde onderbreking twee of meer spelers gewisseld worden.
16.4 Time outs en technical time outs:
  • 16.4.1. De duur van alle aangevraagde time-outs is 30 seconden. Voor FIVB en officile competities worden gedurende set 1 tot en met set 4 twee bijkomende 60 seconden durende technische time-outs automatisch opgelegd, wanneer de leidende ploeg het 8ste en het 16de punt behaalt. In de beslissende (5de) set worden geen technische time-outs opgelegd. Enkel 2 time-outs van 30 seconden mogen per ploeg aangevraagd worden.
  • 16.4.2. Gedurende een time-out moeten de spelers die in het spel zijn, naar de vrije zone gaan, in de nabijheid van de reservebank.
16.5 Wisselen van spelers:
(voor algemene beperkingen, zie regel 8.1.)
(voor beperkingen aangaande de libero, zie regel 20.3.2 - 20.3.3)

  • 16.5.1. De spelerswissels moeten uitgevoerd worden in de wisselzone.
  • 16.5.2. Een spelerswissel is beperkt tot de tijd nodig om de wissel op het wedstrijdblad te noteren en het in- en uittreden van de spelers toe te staan.
  • 16.5.3. Op het ogenblik van de aanvraag, moet(en) de wisselspeler(s) klaarstaan om aan te treden in de nabijheid van de wisselzone. Is dit niet het geval, dan wordt de wissel niet toegestaan en wordt de ploeg bestraft voor spelvertraging. Voor FIVB en Officile competities worden nummerplaatjes gebruikt om de wissels te vergemakkelijken.
  • 16.5.4. Indien een ploeg gelijktijdig wenst over te gaan tot meer dan n spelerswissel, moet hij het aantal onmiddellijk melden bij de aanvraag. In dit geval moeten de wissels een na een uitgevoerd worden.
16.6 Ongegronde aanvragen:
  • 16.6.1. Het is ongegrond een onderbreking te vragen:
    • 16.6.1.1. tijdens een spelfase of op het ogenblik van of na het fluitsignaal om het spel aan te vatten.
    • 16.6.1.2. door een niet-gemachtigd ploeglid.
    • 16.6.1.3. voor spelerswissel, zonder dat het spel is hernomen, nadat dezelfde ploeg een eerste spelerswissel heeft uitgevoerd.
    • 16.6.1.4. na het aantal toegelaten time-outs en spelerswissels te hebben opgebruikt.
  • 16.6.2. De eerste ongegronde aanvraag tijdens de wedstrijd, die geen invloed heeft op het spel en geen spelvertraging met zich meebrengt, zal verworpen worden zonder gevolg.
  • 16.6.3. Een herhaalde ongegronde aanvraag tijdens de wedstrijd wordt bestraft met een "spelvertraging".


REGEL 17 - SPELVERTRAGINGEN
De reglementaire spelonderbrekingen zijn de TIME-OUTS en het WISSELEN VAN SPELERS.

17.1 Types van spelvertragingen
Elke onregelmatige actie die de hervatting van het spel doet vertragen, is een spelvertraging, zoals:
  • 17.1.1. een spelerswissel vertragen.
  • 17.1.2. andere onderbrekingen verlengen, na het signaal te hebben ontvangen om het spel te hervatten.
  • 17.1.3. een onregelmatige spelerswissel aanvragen.
  • 17.1.4. herhaalde onderbrekingen voor ongegronde aanvragen.
  • een spelvertraging door een ploeglid.
17.2 Sancties voor spelvertragingen:
  • 17.2.1. "Een waarschuwing" en "bestraffing" voor spelvertraging is een ploegsanctie.
    • 17.2.1.1. Sancties voor spelvertraging blijven van kracht voor de gehele duur van de wedstrijd.
    • 17.2.1.2. Alle sancties voor spelvertraging, (en ook waarschuwingen) worden op het wedstrijdblad genoteerd.
  • 17.2.2. De eerste spelvertraging in de wedstrijd door een lid van een ploeg wordt bestraft met een "waarschuwing voor spelvertraging".
  • 17.2.3. De tweede en de daaropvolgende spelvertragingen door gelijk welk lid van dezelfde ploeg in de wedstrijd, worden beschouwd als fout en bestraft met een BESTRAFFING VOOR SPELVERTRAGING, met verlies van de spelfase voor gevolg.
  • 17.2.4. Alle sancties voor spelvertraging vr of tijdens de sets blijven geldig voor de hele duur van de wedstrijd.


REGEL 18 - UITZONDERLIJKE ONDERBREKINGEN
De reglementaire spelonderbrekingen zijn de TIME-OUTS en het WISSELEN VAN SPELERS.

18.1 Kwetsuur
  • 18.1.1. Indien een ernstig ongeval zich voordoet, terwijl de bal in het spel is, moet de scheidsrechter het spel onmiddellijk stopzetten en toelaten dat medische assistentie verleend wordt op het speelveld.
    De spelfase wordt vervolgens opnieuw gespeeld.
  • 18.1.2. Indien de gekwetste speler niet regelmatig of uitzonderlijk kan vervangen worden, zal er aan de speler 3 minuten hersteltijd worden toegestaan, maar niet meer dan nmaal voor dezelfde speler in dezelfde wedstrijd.
    Als de speler niet kan verder spelen, wordt zijn ploeg onvolledig verklaard.
18.2 Incident vreemd aan het spel
Mocht er zich tijdens de wedstrijd een incident voordoen vreemd aan het spel, dan moet het spel onderbroken worden en de spelfase moet opnieuw worden gespeeld.
18.3 Verlengde onderbrekingen
  • 18.3.1. Wanneer onvoorziene omstandigheden de wedstrijd onderbreken, treffen de eerste scheidsrechter, de organisatoren en het controlecomit, als dit aanwezig is, de nodige maatregelen om de normale voorwaarden te herstellen.
  • 18.3.2. In geval van n of meer onderbrekingen, waarvan de totale duur minder is dan uur:
    • 18.3.2.1. Indien het spel op hetzelfde speelveld wordt hernomen, zal de onderbroken set normaal verder gespeeld worden met dezelfde scores, spelers en opstellingen. De resultaten van de vorige sets blijven behouden.
    • 18.3.2.2. indien de wedstrijd op een ander speelveld wordt hernomen, zal de onderbroken set vernietigd worden. De set zal opnieuw gespeeld worden met dezelfde spelers en dezelfde beginopstellingen. De resultaten van de gespeelde sets blijven behouden.


REGEL 19 - OPONTHOUD TUSSEN DE SETS - WISSELEN VAN KAMP
De reglementaire spelonderbrekingen zijn de TIME-OUTS en het WISSELEN VAN SPELERS.

19.1 Oponthoudt tussen de sets
Elk oponthoud tussen de sets duurt drie minuten. De duur van het oponthoud omvat de wisseling van kamp en de inschrijving van de ploegen op het wedstrijdblad. De pauze tussen de tweede en de derde set kan verlengd worden tot 10 minuten, door de bevoegde instantie op verzoek van de organisator.
19.2 Wisselen van kamp
  • 19.2.1. Na elke set wisselen de ploegen van kamp, uitgezonderd in de beslissende set.
  • 19.2.2. In de beslissende set moet, zodra een ploeg 8 punten behaalt, zonder vertraging, een wissel van kamp plaatsvinden. De opstelling van de spelers blijft dezelfde. Indien de wissel niet gebeurd is op het juiste ogenblik, dan moet ze uitgevoerd worden, zodra de vergissing opgemerkt wordt. De aangetekende punten op het ogenblik van de wissel van kamp blijven behouden.


HOOFDSTUK VI - DE LIBERO

REGEL 20 - DE LIBERO - SPELER


20.1 Aanduidng van de libero
  • 20.1.1. Iedere ploeg heeft het recht n (1) gespecialiseerde verdedigende speler "Libero" aan te duiden uit de lijst van 12 spelers.
  • 20.1.2. De libero moet ingeschreven worden op het wedstrijdblad in het speciaal vak dat daarvoor voorzien is. Zijn/haar nummer moet eveneens genoteerd worden op het opstellingsbriefje van de eerste set.
  • 20.1.3. De libero kan noch ploegkapitein noch kapitein op het terrein zijn.
20.2 Uitrusting
De libero-speler moet een uitrusting dragen waarvan de trui in kleur moet contrasteren met de kleur van de andere leden van de ploeg. De uitrusting van de libero mag een ander patroon hebben maar moet genummerd zijn zoals de overige leden van de ploeg.
20.3 Toegelaten acties van de libero
  • 20.3.1. De spelacties
    • 20.3.1.1. De libero mag iedere speler in de achterzone vervangen.
    • 20.3.1.2. Hij/zij is beperkt tot het spelen als een achterspeler en het is hem/haar niet toegelaten een aanval te beindigen van om het even welke plaats (ingesloten speelruimte en vrije zone), indien op het moment van contact de bal volledig hoger is dan de bovenste rand van het net.
    • 20.3.1.3. Hij/zij mag niet serveren, blokken of blokpoging uitvoeren.
    • 20.3.1.4. Een speler mag geen aanval afronden hoger dan de bovenste rand van het net, indien de bal komt van een bovenhandse vingerpas van de libero in zijn/haar voorzone. De bal mag vrij aangevallen worden als de libero dezelfde actie uitvoert van achter de aanvalszone.
  • 20.3.2. Vervanging van de spelers
    • 20.3.2.1. Vervangingen door de libero worden niet beschouwd als normale wissels. Deze zijn onbeperkt, maar er moet n spelfase zijn tussen twee libero-vervangingen. De libero kan enkel vervangen worden door de speler die hij/zij vervangen heeft.
    • 20.3.2.2. Vervangingen kunnen enkel uitgevoerd worden wanneer de bal out is en vr het fluitsignaal voor opslag.
      Bij het begin van iedere set, mag de libero het speelveld niet inkomen en dit tot op het ogenblik dat de tweede scheidsrechter het opstellingsbriefje heeft nagezien.
    • 20.3.2.3. Een vervanging uitgevoerd na het fluitsignaal voor opslag, maar voor de opslag, moet niet verworpen worden, maar moet het voorwerp uitmaken van een mondelinge waarschuwing na het beindigen van de rally.
      Opeenvolgende niet tijdige vervangingen maken het voorwerp uit van een sanctie "spelvertraging".
    • 20.3.2.4. De libero en de vervangen speler mogen enkel het terrein opkomen of verlaten Langs de zijlijn tegenover hun eigen wisselbank tussen de aanvals- en achterlijn.
  • 20.3.3. Heraanduiding van een nieuwe libero.
    • 20.3.3.1. Bij een kwetsuur van de aangeduide libero en mits toelating van de eerste scheidsrechter, kan de coach een nieuwe libero heraanduiden uit de spelers die zich op het ogenblik van de heraanduiding niet op het speelveld bevinden.
      De gekwetste libero mag niet meer aantreden voor de rest van de wedstrijd.
      De als libero heraangeduide speler moet als libero blijven voor de rest van de wedstrijd.
    • 20.3.3.2. In het geval van een heraangeduide libero, moet zijn truinummer ingeschreven worden op het wedstrijdblad in het vak "opmerkingen" en op het opstellingsbriefje van de volgende set.


HOOFDSTUK VII - HET GEDRAG VAN DE DEELNEMERS

REGEL 21 - GEDRAGSBEPALINGEN


21.1 Sportief gedrag
  • 21.1.1. Deelnemers moeten de "OFFICIELE VOLLEYBALSPELREGELS" (laatste editie) kennen en ze toepassen.
  • 21.1.2. Deelnemers moeten beslissingen van scheidsrechters op een sportieve manier aanvaarden, zonder die beslissingen aan te vechten.
    In geval van twijfel mag uitleg gevraagd worden over een beslissing, maar dit alleen door de kapitein op het terrein.
  • 21.1.3. Deelnemers moeten zich onthouden van elke actie, of houding om beslissingen van de scheidsrechter te benvloeden, of fouten te verdoezelen veroorzaakt door hun ploeg.
21.2 Fair Play
  • 21.2.1. Deelnemers moeten zich gedragen in een geest van sportiviteit en fair-play, niet alleen tegenover de scheidsrechters, maar ook tegenover andere officilen, de tegenstanders, de ploeggenoten en de toeschouwers.
  • 21.2.2. Overleg tussen ploeggenoten tijdens het spel is toegelaten.


REGEL 22 - WANGEDRAG EN BIJHORENDE SANCTIES


22.1 Licht wangedrag
Lichte uiting van wangedrag maakt geen voorwerp uit van een sanctie. Het is de taak van de eerste scheidsrechter ervoor te zorgen dat de ploeg niet boven het aanvaardbare uitstijgt, dit door het geven van een mondelinge waarschuwing (of met gebaren) aan de gehele ploeg, bij monde van de kapitein.
Deze waarschuwing is geen onmiddellijke bestraffing en wordt niet vermeld op het wedstrijdblad.
22.2 Wangedrag met sancties tot gevolg
Niet correct gedrag van een lid van een ploeg ten opzichte van de officilen, tegenstanders, ploeggenoten of toeschouwers wordt, volgens de graad van de belediging, op drie manieren beoordeeld:
  • 22.2.1. Onbeleefd gedrag: een actie tegen goede manieren of morele principes, of uiting van minachting.
  • 22.2.2. Beledigend gedrag: belasterende of beledigende uitvallen of gebaren.
  • 22.2.3. Agressie: lichamelijk geweld of als lichamelijk geweld bedoelde actie.
22.3 Sanctieschaal
Naargelang van de beoordeling van de eerste scheidsrechter en rekening houdend met de graad van het wangedrag, worden volgende sancties voorzien, die genoteerd worden op het wedstrijdblad:
  • 22.3.1. Bestraffing
    Een eerste uiting van wangedrag in de wedstrijd door gelijk welk lid van een ploeg, wordt bestraft met verlies van de spelfase.
  • 22.3.2. Uitwijzing
    • 22.3.2.1 Een lid van een ploeg die bestraft wordt met een uitwijzing, mag gedurende het verdere verloop van de set niet meer spelen en moet blijven zitten op de strafbank, dit zonder verdere gevolgen.
      Een uitgewezen coach verliest zijn recht om tussen te komen tijdens die set en moet blijven zitten op de strafbank.
    • 22.3.2.2. De eerste beledigende actie van een lid van een ploeg wordt bestraft met een uitwijzing, dit zonder verdere gevolgen.
    • 22.3.2.3. Een tweede uiting van onbeleefd gedrag tijdens dezelfde wedstrijd door hetzelfde lid van een ploeg wordt bestraft met een uitwijzing en dit zonder verdere gevolgen.
  • 22.3.3. Uitsluiting
  • 22.3.3.1. Het lid van een ploeg dat bestraft wordt met een uitsluiting moet de speelruimte verlaten voor de rest van de wedstrijd, dit zonder verdere gevolgen.
  • 22.3.3.2. De eerste agressie wordt bestraft met een uitsluiting, dit zonder verdere gevolgen.
  • 22.3.3.3. Een tweede beledigende actie van hetzelfde lid van een ploeg tijdens dezelfde wedstrijd wordt bestraft met een uitsluiting, dit zonder verdere gevolgen.
  • 22.3.3.4. De derde actie van heel onbeleefd gedrag tijdens dezelfde wedstrijd door hetzelfde lid van een ploeg, wordt bestraft met uitsluiting, dit zonder verdere gevolgen.
22.4 Toepassing van de sancties voor wangedrag
  • 22.4.1. Alle genomen sancties zijn individueel, blijven van kracht voor de hele duur van de wedstrijd en worden genoteerd op het wedstrijdblad.
  • 22.4.2. Herhaling van onbeleefd gedrag door een zelfde ploeglid in dezelfde wedstrijd wordt progressief bestraft, (elke opeenvolgende beledigende actie betekent een hogere straf voor het lid van de ploeg).
  • 22.4.3. Uitwijzing of uitsluiting ten gevolge van beledigend en agressief gedrag moet niet voorafgegaan worden door een andere sanctie.
22.5 Wangedrag voor en tussen de sets
Elke uiting van wangedrag voor een set of tussen twee sets in, wordt gesanctioneerd volgens regel 21.3. en de genomen sancties zijn van toepassing op de volgende set.
22.6 Kaarten
  • Verwittiging: mondeling of met een handgebaar, geen kaart.
  • Bestraffing: gele kaart
  • Uitwijzing: rode kaart
  • Uitsluiting: gele en rode kaart (samen)


REGEL 23 - HET SCHEIDSRECHTERSCORPS EN DE PROCEDURES


23.1 Samenstelling
Voor een wedstrijd is het scheidsrechterskorps uit de volgende officials samengesteld:
  • de eerste scheidsrechter
  • de tweede scheidsrechter
  • de markeerder
  • vier (twee) lijnrechters
De hun toegewezen plaats is op figuur 10 aangeduid.
Voor FIVB en Officile competities is een assistant-markeerder verplicht.
23.2 Pocedures
  • 23.2.1. Alleen de eerste en de tweede scheidsrechter mogen tijdens de wedstrijd fluiten:
    • 23.2.1.1. de eerste scheidsrechter fluit voor het geven van de opslag om een spelfase te beginnen.
    • 23.2.1.2. de eerste en de tweede scheidsrechter fluiten het einde van de spelfase, op voorwaarde dat ze er zeker van zijn, dat er een fout begaan werd en dat zij de aard ervan kennen.
  • 23.2.2. Tijdens een spelonderbreking mogen zij fluiten, om aan te duiden dat ze een verzoek van een ploeg toelaten of afwijzen.
  • 23.2.3. Onmiddellijk nadat de scheidsrechter het einde van een spelfase gefloten heeft, moet hij met de hulp van de officile tekens aanduiden:
    • 23.2.3.1. Wanneer de fout gefloten is door de eerste scheidsrechter, dan zal hij aanduiden:
      • a. de ploeg die moet opslaan
      • b. de aard van de fout
      • c. de speler die de fout beging (indien noodzakelijk)
      De tweede scheidsrechter zal de tekens van de eerste scheidsrechter, na hem, herhalen.
    • 23.2.3.2. Wanneer de fout gefloten is door de tweede scheidsrechter, dan zal hij/zij aanduiden:
      • a. de aard van de fout
      • b. de speler die de fout beging (indien noodzakelijk)
      • c. de ploeg die moet opslaan, door het teken van de eerste scheidsrechter te volgen
      In dit geval duidt de eerste scheidsrechter helemaal niet de fout aan, noch de speler die de fout beging, alleen de ploeg die moet opslaan.
    • 23.2.3.3. In geval van een dubbele fout, duiden de beide scheidsrechters aan:
      • a. de aard van de fout
      • b. de spelers die de fout begingen (indien noodzakelijk)
      • c. de ploeg die moet opslaan, aangeduid door de eerste scheidsrechter.


REGEL 24 - De EERSTE SCHEIDSRECHTER


24.1 Plaats
De eerste scheidsrechter vervult zijn functies zittend of rechtstaand op een scheidsrechtersplatform, geplaatst aan n van de uiteinden van het net. Zijn gezichtsveld moet zich op ongeveer 50 cm boven het net bevinden.
24.2 Bevoegdheden
  • 24.2.1. De eerste scheidsrechter leidt de wedstrijd van het begin tot het einde. Hij heeft gezag over alle andere officials en ploegleden.
    Tijdens de wedstrijd zijn de door hem genomen beslissingen onherroepelijk. Hij is bevoegd de beslissingen van de andere officials te annuleren, indien hij oordeelt, dat zij zich vergissen.
    Hij kan zelfs een official die zijn functies niet correct uitvoert, vervangen.
  • 24.2.2. Hij controleert eveneens het werk van de ballenrapers en de vegers.
  • 24.2.3. Hij heeft de bevoegdheid over alle spelonderdelen te beslissen, ook over deze die niet in het reglement voorzien zijn.
  • 24.2.4. Hij mag in geen enkel geval toelaten dat zijn beslissingen betwist worden.
    Echter zal hij, op verzoek van de kapitein op het terrein, uitleg verstrekken over de toepassing of interpretatie van de spelregels, waarop hij zijn beslissing heeft gesteund. Indien de kapitein op het terrein onmiddellijk zijn voorbehoud tegenover deze verklaring uitdrukt, moet de eerste scheidsrechter hem toelaten aan het einde van de wedstrijd een officieel protest te vermelden op het wedstrijdblad over dit voorval.
  • 24.2.5 Hij draagt de verantwoordelijkheid om vr en tijdens de wedstrijd te beslissen of het speelveld, de installaties en de voorwaarden al dan niet geschikt zijn, om te spelen.
24.3 Verantwoordelijkheden
  • 24.3.1. Vr de wedstrijd zal de eerste scheidsrechter:
    • 24.3.1.1. de toestand van de speelruimte, de ballen en het andere materiaal controleren.
    • 24.3.1.2. de toss uitvoeren in aanwezigheid van de ploegkapiteins.
    • 24.3.1.3. de opwarming van de ploegen controleren.
  • 24.3.2. Tijdens de wedstrijd is alleen de eerste scheidsrechter gemachtigd tot:
    • 24.3.2.1. verwittigingen te geven aan de ploegen.
    • 24.3.2.2. sanctioneren van wangedrag en spelvertragingen.
    • 24.3.2.3. beslissingen te treffen omtrent:
      • a. fouten van de opslaggever en de opstelling van de ploeg aan de opslag, met inbegrip van het scherm.
      • b. fouten bij het spelen van de bal.
      • c. fouten boven het net en de bovenste rand van het net.
      • d. de aanval van de achterspelers of de libero.
      • e. de aanval van een speler op een bal komende van een bovenhandse vingerpas door de libero-speler in zijn aanvalszone.
      • f. het overschrijden van de bal onder de onderste rand van het net.
    • 24.3.3. Na het einde van de wedstrijd kijkt hij het wedstrijdblad na en ondertekent het.


REGEL 25 - De TWEEDE SCHEIDSRECHTER


25.1 Plaats
De tweede scheidsrechter vervult zijn functies rechtstaande, buiten het speelveld, in de nabijheid van de paal, recht tegenover de eerste scheidsrechter.
25.2 Bevoegdheden
  • 25.2.1. De tweede scheidsrechter is de assistent van de eerste scheidsrechter, maar heeft ook zijn eigen bevoegdheden. Hij moet de eerste scheidsrechter vervangen, indien deze door overmacht zijn taak niet meer kan uitoefenen.
  • 25.2.2. Hij mag ook, zonder te fluiten, de fouten buiten zijn eigen bevoegdheid signaleren, maar hij mag niet aandringen bij de eerste scheidsrechter.
  • 25.2.3. Hij controleert het werk van de markeerder.
  • 25.2.4. Hij controleert de ploegleden op de bank en brengt bij de eerste scheidsrechter verslag uit over elk wangedrag.
  • 25.2.5. Hij controleert de spelers die zich in de opwarmingszone bevinden.
  • 25.2.6. Hij laat onderbrekingen toe, controleert de duur ervan en verwerpt de niet gegronde verzoeken.
  • 25.2.7. Hij controleert het aantal Time-outs en spelerswissels van elke ploeg en meldt aan de eerste scheidsrechter en de betrokken coach de tweede Time-out en de vijfde en zesde spelerswissel van elke ploeg.
  • 25.2.8. In geval van kwetsuur van een speler laat hij een uitzonderlijke spelerswissel toe of laat hij een hersteltijd toe van drie minuten.
  • 25.2.9. Hij controleert de toestand van de vloer, voornamelijk in de voorzone. Tijdens de wedstrijd controleert hij ook, of de ballen verder aan de reglementaire voorwaarden voldoen.
  • 25.2.10. De tweede scheidsrechter controleert de ploegleden op de strafbank en meldt hun onbeleefd gedrag aan de eerste scheidsrechter.
25.3 Verantwoordelijkheden
  • 25.3.1. Bij aanvang van iedere set, bij wisseling van kamp in de beslissende set en elke keer dat als het nodig is, controleert hij of de opstelling van de spelers op dat ogenblik overeenkomt met deze, die op de opstellingsbriefjes staat vermeld;
  • 25.3.2. tijdens de wedstrijd beslist, fluit en meldt met het desbetreffend teken, de tweede scheidsrechter.
    • 25.3.2.1 indringen in het kamp van de tegenstander en de ruimte onder het net.
    • 25.3.2.2 de opstellingsfouten van de ploeg die de opslag ontvangt.
    • 25.3.2.3 het foutieve contact van de spelers met de onderste kant van het net of met de antenne aan zijn zijde door iedere speler die de bal speelt of probeert hem te spelen.
    • 25.3.2.4. een blok van achterspelers of een blokpoging van de libero.
    • 25.3.2.5. het contact van de bal met een vreemd voorwerp of met de vloer, indien de eerste scheidsrechter niet in de mogelijkheid verkeert, dit contact te zien.
  • 25.3.3. hij ondertekent na het einde van de wedstrijd het wedstrijdblad.


REGEL 26 - De MARKEERDER


26.1 Plaats
De markeerder vervult zijn functies zittend aan de markeerderstafel, tegenover en met zijn gezicht naar de eerste scheidsrechter.
26.2 Verantwoordelijkheden
  • 26.2.1. De markeerder noteert vr de wedstrijd en vr het begin van elke set:
    • 26.2.1.1. de gegevens van de wedstrijd en de ploegen, volgens de van kracht zijnde voorschriften en hij laat de kapiteins en coaches ondertekenen.
    • 26.2.1.2. De beginopstelling van iedere ploeg aan de hand van de opstellingsbriefjes. Indien hij de opstellingsbriefjes niet tijdig krijgt, moet hij dit onmiddellijk aan de tweede scheidsrechter melden.
    • 26.2.1.3. Hij noteert het nummer en de naam van de libero op het wedstrijdblad.
  • 26.2.2. Tijdens de wedstrijd moet de markeerder:
    • 26.2.2.1. de aangetekende punten noteren en toezicht houden of deze punten op het scorebord overeenkomen met de punten op het wedstrijdblad.
    • 26.2.2.2. de opslagvolgorde van elke ploeg controleren en elke vergissing, onmiddellijk na de opslag, melden aan de tweede scheidsrechter.
    • 26.2.2.3. de Time-outs en spelerswissels noteren, het aantal daarvan controleren en de tweede scheidsrechter hierover inlichten.
    • 26.2.2.4. de scheidsrechters verwittigen van ieder ongegrond verzoek voor onderbreking.
    • 26.2.2.5. de scheidsrechter het einde van de set, het begin en einde van iedere technische time-out en het aantekenen van het achtste punt in de vijfde set melden.
    • 26.2.2.6. de sancties noteren.
    • 26.2.2.7. hij noteert alle andere gegevens, hem opgelegd door de tweede scheidsrechter, zoals buitengewone vervangingen, hersteltijd na kwetsuur, verlengde onderbrekingen, factoren los van het spel, enz.
  • 26.2.3. Bij het einde van de wedstrijd moet de markeerder:
    • 26.2.3.1. het eindresultaat inschrijven.
    • 26.2.3.2. in geval van protest (mits toelating van de eerste scheidsrechter), zelf de versie van de betwiste feiten op het wedstrijdblad schrijven of kan hij toelaten aan de ploegkapitein dit zelf te doen.
    • 26.2.3.3. na zelf het wedstrijdblad te hebben ondertekend, de ploegkapiteins en daarna de scheidsrechters laten ondertekenen.


REGEL 27 - De LIJNRECHTERS


27.1 Plaats
Indien er maar twee lijnrechters zijn, stellen die zich diagonaal op, in tegenovergestelde hoeken, aan de rechterzijde van de scheidsrechters, op 1 tot 2 m van de hoek.
Ieder van hen controleert zowel de achterlijn, als de zijlijn aan zijn kant.
Bij FIVB en Officile competities is het verplicht om over vier lijnrechters te beschikken.
Zij staan in de vrije zone op 1 tot 3 m van elke hoek van het speelveld, op de ingebeelde verlenging van de lijn die onder hun verantwoordelijkheid valt.
27.2





Verantwoordelijkheden
  • 27.2.1. De lijnrechters vervullen hun taak door vlaggetjes (40 x 40 cm) op de wijze, aangeduid in fig. 12. Zij signaleren:

    • 27.2.1.1. de bal "binnen" of "buiten", telkens als de bal bij hun lijn(en) valt.









    • 27.2.1.2. de door de ontvangende ploeg geraakte ballen, die "buiten" vallen.







    • 27.2.1.3. de ballen die de antennes raken, de opslagen die het net overschrijden buiten de doorgangsruimte, enz.







      27.2.1.4. elke speler (de opslaggever uitgezonderd) die zich buiten het speelveld bevindt op het ogenblik van de opslag.
      27.2.1.5. de voetfouten van de opslaggever.
      27.2.1.6. ieder contact met de antenne langs hun kant door gelijk welke speler tijdens zijn actie om de bal te spelen of indien dit invloed heeft op het spelverloop.




    • 27.2.1.7. de bal dat over het net gaat in het kamp van de tegenstander, buiten de doorgangszone of de antenne rakend langs zijn kant van het speelveld.